Wat is de persoonsvorm van de volgende zinnen?
a. Mijn oma en ik lopen vaak naar de supermarkt.
b. Wil jij mij helpen met mijn huiswerk?
c. Ik kan zaterdag niet afspreken.
Uitwerking:
a. vraagproef (=maak een vragende zin).
Lopen mijn oma en ik vaak naar de supermarkt?
Persoonsvorm: lopen
b. getalproef (= verander het getal (enkelvoud/meervoud) van het onderwerp).
Willen jullie mij helpen met mijn huiswerk?
Persoonsvorm: Wil
c. tijdproef (=verander de tijd van de zin).
Ik kon zaterdag niet afspreken.
Persoonsvorm: kan